Iemand schreef eens dat er heel wat voor komt kijken indien men het inwendige circuit van de bij wil nabootsen: “Voor het navigatiesysteem en de stuurinrichting zijn de volgende onderdelen in ieder geval nodig: een in te bouwen klok en cellen die gevoelig zijn voor gepolariseerd licht. Een computer die verband legt tussen de stand van de zon en horizontale afstanden. Instrumenten waarmee men zuiver verticaal kan meten. Instrumentarium voor de plaatsbepaling. Windmeters, zowel voor snelheid als voor richting. Een trigonometrische rekenmachine en allerlei tabellen. Snelheidsmeters voor in de lucht en op de grond.”
Het klinkt allemaal wat overdreven. Maar is dat werkelijk wel zo – nu we gezien hebben wat een bij allemaal in zijn mars heeft?
En ik vraag me af of u zich wel realiseert hoe noodzakelijk de honingbij is – zelfs voor het leven op zich. Bijen kunnen natuurlijk niet bestaan zonder planten en bloemen met hun stuifmeel en nectar. Maar dat is wederzijds. Veel soorten planten en bloemen zouden niet kunnen bestaan zonder de bijen die bij het bestuiven helpen. Veel van de prachtige en vruchtdragende planten zouden in feite zelfs verdwijnen. En dat zou een enorm verlies zijn.
Kom, laten we eens redeneren. Is de bij, met zijn fantastische uitrusting, geknipt voor zijn werk, door het toeval ontstaan? Gedurende een periode van miljoenen jaren? Stukje bij beetje?
Wat zou ervan terechtkomen wanneer de bij van start was gegaan zonder holten aan zijn achterpoten voor het stuifmeel? Of misschien wel met stuifmeelkorfjes, maar zonder de juiste kniegewrichten om de pollen erin te persen, of zonder te weten hoe hij dat moest doen!
Wat zou er gebeuren als hij geen haren op zijn lichaam had om de stuifmeelkorrels te verzamelen – of wel de haren, maar niets om de stuifmeelkorrels eraf te kammen?
Wat zou ervan terechtkomen als de bij nog geen nectarreservoir zou hebben ontwikkeld? Of geen uitrusting om was te fabriceren? Stel dat ze niet wisten dat ze vierentwintig uur naar beneden moesten hangen om de was te laten verschijnen? Of dat de was niet bestand zou zijn tegen de hoge temperatuur in de korf, zoals de meeste soorten was.
Wat zou er gebeuren als de bijen geen koninginnengelei konden maken om de koningin mee te voeden – en de koningin zou sterven? Wat als de bij zijn weg niet terug kon vinden naar de korf, of naar het bloemenveld?
De vragen blijven werkelijk toestromen. Er komt geen einde aan. Ik neem aan dat u zelf wel inziet, dat ieder deel van de bijenuitrusting nutteloos is zonder de rest. En om gebruikt te kunnen worden moeten de uitrusting en de kennis hoe ermee om te gaan gelijktijdig zijn ontwikkeld – niet beetje bij beetje.
Stel dat de evolutie heeft plaatsgevonden, dan is hier nog iets ter overweging. Daar zat die eerste bij. Heel lang geleden. Op een boomtak. Wat voor bij was dat dan? Was het een koningin? Die kan zich niet vermenigvuldigen zonder een dar om mee te paren.
Was het dan een dar? Darren kunnen zich niet vermenigvuldigen zonder koningin.
Een werkbij misschien? Bijna onmogelijk. Want werkbijen kunnen helemaal niet voor nageslacht zorgen.
Er is nauwelijks te ontkomen aan de conclusie dat de gehele kolonie tegelijkertijd moet zijn ontstaan, allemaal tegelijk, met volledig ontwikkelde uitrusting en kennis bij iedere bij afzonderlijk. Ieder klaar voor zijn taak. En dat is natuurlijk geen evolutie, net zo min als dat bij de vogels het geval was. Dat is schepping!
Is het niet veel gemakkelijker om te geloven in die eenvoudige, ongecompliceerde, ongekunstelde verklaring die u vindt op de eerste bladzijde van de Bijbel? “In het begin schiep God de hemel en de aarde.”