
Wetenschappers onderzoeken de Grand Canyon nu al 140 jaar. Je zou toch denken dat ze er nu wel een aardig goed beeld van hebben. Niet dus. De rol die de Colorado rivier heeft gespeeld bij het uitslijten van het landschap is nog steeds een "klassiek mysterie in de geologie", volgens Joel Pederson in een artikel in GSA Today (een tijdschrift van de Geological Society of America). Een gedeelte van het Colorado Plateau, waar de rivier doorheen stroomt, is namelijk hoger dan de rest: het Kaibab plateau. Als de Colorado rivier de Canyon inderdaad heeft uitgesleten, zoals seculiere geologen veronderstellen, dan moest hij eerst over een behoorlijke heuvel heen. Rivieren stromen normaal gesproken niet de heuvel op, dus moet er een oplossing voor dit dilemma gevonden worden. Het eerste waar je aan denkt is natuurlijk dat het Kaibab Plateau later omhoog gekomen is, maar die theorie stuit op problemen bij dateringen. Het Plateau zou er namelijk eerder zijn geweest dan de rivier. Voor een eventuele eerdere of andere rivieren is geen bewijs (zoals een rivierdelta). Pederson probeert wel een verklaring te vinden, maar loopt tegen twee problemen aan: (1) dateringen van formaties, gebaseerd op de geologische tijdschaal en (2) de aanname dat de formatie langzaam heeft plaatsgevonden, gedurende lange perioden. Hij ging niet in op eerdere onderzoeken die lijken aan te tonen dat de Canyon veel jonger is dan gedacht (Cration Evolution Headlines) Hij ging ook helemaal niet in op het werk van creationistische geologen, die een catastrofale vorming voorstellen (de zondvloed).


Pederson kan voor zijn goede fatsoen in een blad van de GSA ook niet beginnen over
creationistische geologie. De GSA heeft een duidelijke uniformitaristische inslag.
Mensen die een catastrofistische kijk op de Canyon hebben worden vaak weggehoond
door hun collega geologen. Toch blijkt steeds vaker dat formaties als de Grand Canyon
wel degelijk snel kunnen ontstaan. Maar seculiere geologen blijven gevangen in hun
uniformitaristische denkwereld. Ze kunnen schijnbaar niet anders. Creationistische
geologen als Walt Brown en Steve Austin hebben aangetoond dat de Grand Canyon na
de zondvloed ontstaan kan zijn doordat ingesloten meren ten noordoosten van de Canyon
een dambreuk veroorzaakten. Hun modellen verklaren hoe de rivier door het plateau
sneed zonder een delta achter te laten. Dit scenario verklaart ook een hoop andere
geologische structuren. Bij Mt. St. Helens is ook een Canyon ontstaan toen een modderstroom
door een dam heen brak, wat door Steve Austin goed wordt onderbouwd in zijn boek
"Grand Canyon: Monument to Catastrophe").
Seculiere geologen negeren dit dus volkomen,
omdat ze ervoor gekozen hebben de aarde als 'oud' te zien en geologische processen
als 'langzaam'. Ergens in de negentiende eeuw hebben mensen als James Hutton deze
ideeën populair gemaakt en sindsdien is het blijven hangen, in stand gehouden door
invloedrijke personen. Bij nader onderzoek stuit men steeds op bewijzen voor catastrofale
vorming, maar het schijnt geen indruk op ze te maken. Het hele idee van 'oude aarde'
en 'langzame processen' past natuurlijk goed in het Darwinistische denkbeeld dat
het leven door vele kleine veranderingen over een lange tijd ontstaan is. Die twee
disciplines houden elkaar dan ook heerlijk de hand boven het hoofd. En probeer er
maar eens tussen te komen met een Bijbels wereldbeeld. Je wordt compleet weggestemd.
Hun argumenten stoelen echter meestal op een het-
.

De in totaal negen natuurlijke diamanten, die gevonden zijn in Brazilië en geacht werden een paar honderd miljoen jaar oud te zijn, bevatten nog radioactief koolstof.
